Afgezien van de perikelen die het gevolg waren van de bouw van het Centraal Station was er grote behoefte aan extra kadelengte. Vooral vanwege de groei van de handel en scheepvaart op Oost-Indië. Het Oostelijk Havengebied (OHG) bood die kadelengte. En achter die kades lagen opslagterreinen van een diepte die men toen nodig dacht te hebben. Dat het gebied tot bloei kwam was vooral het gevolg van de groei van de (vooral Oost-Indische) handel en scheepvaart. Maar er vertrokken en kwamen schepen van overal.

Het OHG lag wel aan de verkeerde kant van de stad. Het Noordzeekanaal werd gegraven en de afsluiting van het binnen-IJ (Oranjesluizen) betekende het einde van de grote scheepvaart via de Zuiderzee. Het nieuwe havengebied had dus eigenlijk aan de westkant van Amsterdam moeten liggen. Een eeuw later gebeurde dat ook.

Het OHG was het haven- en werkterrein. De Heren Directeuren hadden een deftiger locatie: het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade. Van daar uit werd het OHG bestuurd. Naar de aard van die tijd was het Scheepvaarthuis (er zaten 8 rederijen) prachtig in de gedeelten voor de directies, karig in de delen voor het lagere volk. Het gebouw en de directieverblijven werden rijksmonument. Het is nu Grand Hotel Amrâth Amsterdam.

Bronnen: Wikipedia, Gesprekken

Lees verder over het verval>>