We leven op een eiland
met een geleende naam.

Twee sterke jonge bruggen
verbinden ons met de slapeloze stad.

De eerste stralen van de zon verwarmen de mensen
die bij de bushalte samen scholen.

De morgenwind ontwaakt het water,
masten trillen zacht.

Een trans-Atlantische Behemoth
draait langzaam en zet koers naar zee.

De hoorn blaast twee keer.
Meeuwen duiken bliksemsnel in het zog van het schip,
vangen vissen die de nacht overleefden.

Vanaf het dek
kijken nieuwsgierige vrouwen en mannen
voldaan naar ons, sommige met een verrekijker.

Een tas, een paar schoenen, een beker melk,
druipend nat haar, dunne benen die een innerlijk ritme volgen
rusteloos bewegende handjes, een jongen.

Je kijkt door het raam naar het water
weerloos kijk ik achter je.

Als mijn blik de Behemoth ontmoet
zwaaien de bezoekers ons gedag.

Zo veel indrukken om op te kauwen bij het ontbijt.
Je bent moe en blij
directeur van deze gouden, eenduidige dageraad.