Ik hoef al jaren geen potgrond meer te kopen en naar boven te sjouwen. Dat spelen mag altijd, als ze maar niet in de wormen knijpen en ze de wormen achteraf weer in de pot terug stoppen. Het is ook een spannend gevoel zo’n gladde regenworm op je hand.
Zelf heb ik ook steeds meer ontdekt aan deze friemelaars. Hoe ze – vooral in het voorjaar- in en over elkaar kruipen en hoe dan later de bak krioelt van de hele kleine jonge wormpjes. Hoe ze soms een enorme kluwen vormen vlak onder het oppervlak en je een andere keer echt moet graven om ze te vinden. Hoe een worm, als hij sterft, verandert in een klein droogtakje dat uiteindelijk uiteenvalt in aarde.
Charles Darwin, de vader van de evolutietheorie, was de eerste die het belang van de regenworm voor landbouw en natuur beschreef. Hij deed als bevlogen bioloog vele belangwekkende waarnemingen. Hij realiseerde zich hoe essentieel wormen zijn voor het verteren van planten en boombladeren tot organisch voedingsstoffen waar weer nieuwe planten en bomen op kunnen groeien. Zonder wormen, geen vruchtbare grond.
De wormen wonen al jaren op mijn balkon. Ooit nam ik een potje wormen en aarde mee, die ik had geschept uit de composthoop van mijn nicht Anne in de Achterhoek. Er zijn vele soorten wormen. Ze willen allemaal wel een beetje van je compost eten, maar wormen die je in compost vindt, zijn de beste. De mijne zien er uit als gewone regenwormen, maar ze leveren me generatie op generatie nu zeker al tien jaar prachtige compost.
Ze wonen in een aantal potten, die ik zo’n drie keer per jaar omschep om de aarde eruit te zeven. Ze overleven op mijn enigszins beschutte balkon in die potten de vrieskou. Ik zorg wel dat ze dan voldoende groenmateriaal hebben om wat broei te veroorzaken en dat ik ze dan niet te veel verstoort.
Door de tijd heen heb ik gemerkt waar ze lekker opgroeien. Ze houden heel erg van koffieprut, maar niet zo van harde stukken kool. Wel van banaan, de sliertjes en de bruine plekjes, maar niet van de schillen. Heel erg van sla, wortelrasp en de uiteinde van sperziebonen, maar niet van aardappelschillen en brood. Wel van rauwe bloemkoolstronk en pompoen (eventueel in kleine stukjes), maar niet van gekookt voedsel of slasaus. Wel van rotte tomaten, niet van het groen van tomaten (nachtschade, bevat gif). Je kan zelf een beetje experimenteren en waar ze het goed op doen. Dat wil zeggen: welk voedsel ze snel wegwerken.
Ik bouw een pot een beetje op als ik hem de eerste keer vul, maar daarna gooi ik alles gewoon bovenop waarna ik het een beetje onder de aarde schep zodat het niet aan de lucht gaat rotten.
Het is fijn dat we biobakken op het eiland hebben gekregen, zodat ik ook een plek heb voor eierschalen, aardappelschillen en oud brood, maar ik zou mijn wormen er nooit voor wegdoen. Ze vormen mijn persoonlijke bioreactortje. En zoals een vriendinnetje zei: “Ze voelen wel een beetje vies, maar ook heel grappig en ze zijn goed voor de natuur.”